Zorgelijk nieuws over het herstel van de wereldeconomie doet beleggers naar veilige producten grijpen. De animo voor covered bonds en converteerbare obligaties neemt toe. Hoe aantrekkelijk zijn die?
Heel wat onzekere beleggers zoeken veiligheid: in het eerste kwartaal van dit jaar werd internationaal liefst 85 miljard euro in covered bonds – oftewel: pandbrieven – gestoken. Deze door banken uitgegeven obligaties bieden ten opzichte van gewone obligaties meer zekerheid. Zij worden namelijk gedekt door een onderpand van hoge kwaliteit, meestal een hypothekenportefeuille. En stel dat de bank failliet gaat, dan hebben de houders van de covered bonds bovendien voorrang boven andere schuldeisers. Mocht onverhoopt een heel land failliet gaan – denk aan Griekenland – en internationale banken hun obligatieportefeuilles moeten afwaarderen, dan is afgesproken dat covered bonds na 2013 gespaard worden.
Nauwelijks duurder
Het mooie is dat voor deze extra zekerheden nauwelijks extra hoeft te worden betaald. Op dit ogenblik ligt de couponrente op covered bonds namelijk dicht tegen het tarief voor gewone obligaties aan. Dat de banken er niet méér voor vragen, komt doordat zij moeite hebben om lang kapitaal aan te trekken. De covered bonds die nu worden uitgegeven, hebben doorgaans een looptijd van vijf jaar en langer. De extra zekerheid moet beleggers over de streep trekken om zich voor langere tijd vast te leggen op het geboden renteniveau.
En daar zit hem de crux. Veel marktkenners verwachten namelijk dat de – historisch nog steeds lage – rente gaat stijgen. Dan is het spijtig wanneer je je voor een lange periode hebt gecommitteerd aan een vrij laag renteniveau. Ander minpunt is dat de particuliere belegger aardig wat vermogen moet meebrengen: minimuminleg is bij de meeste covered bonds 50.000 euro.
Twee walletjes
Toegankelijker is de converteerbare obligatie, kortweg: de convertible. Geschikt voor beleggers die wel veiligheid zoeken, maar een mogelijke stijging van de aandelenmarkt niet willen mislopen. Valt de performance van het onderliggende aandeel tijdens de looptijd tegen, dan zie je af van conversie, incasseer je jaarlijks de couponrente en krijg je na afloop het ingelegde bedrag terug. Stijgt de koers van het aandeel, dan kan de convertible tegen de afgesproken conversiekoers worden ingeruild. Dat wordt pas interessant wanneer de koers van het aandeel de omruilkoers passeert.
Een convertible combineert dus de voordelen van obligaties en aandelen. Maar daar betaal je uiteraard wel voor. Enerzijds is de couponrente op de convertible lager dan op een gewone obligatie. Stel dat die laatste een rente biedt van 5 procent, dan zal de convertible zo’n 3,5 procent opleveren. Anderzijds pak je de stijging van het aandeel ook niet volledig mee, omdat de conversiekoers een stuk hoger ligt dan de huidige koers. Tussentijds op de beurs verkopen (of kopen) kan overigens altijd. Als de aandelenkoers de conversiekoers nadert, begint de koers van de convertible mee te bewegen met het aandeel, al gebeurt dat wel ongeveer op halve kracht.
De belegger die oren heeft naar dit product, moet overigens wel over de grens kijken. Wereldwijd stijgt het volume van uitgiftes flink, maar Nederlandse bedrijven laten het – vooralsnog – afweten. Dit komt onder andere door de beperkte populariteit van de convertibles bij institutionele beleggers. Zij waagden zich lange tijd niet aan dit hybride product en kozen voor obligaties of aandelen. Inmiddels begint ook deze groep beleggers de voordelen van de beleggingscategorie te zien.



