De nieuwe, vierde versie van de financiële richtlijn Ucits gaat op 1 juli a.s. in en moet introducties en fusies van beleggingsfondsen nog aantrekkelijker maken. Maar hoe profiteert de eindbelegger daarvan? MarketMinds beantwoordt vijf kritische vragen over Ucits.
1. Is deze vierde versie van Ucits nodig?
Ja. De Undertakings for Collective Investments in Transferable Securities (Ucits) hebben hun naam niet mee, maar leveren de fondsindustrie veel op. Doel van de richtlijn is om een gelijkwaardige Europese financiële markt te creëren. Waar de vorige vernieuwing van Ucits zich richtte op de kenmerken van het product, biedt deze versie verbeteringen voor de aanbieders van de fondsen. De introductie van Ucits III in 2007 maakte het onder andere mogelijk voor fondsen om (synthetische) derivaten te gebruiken, bijvoorbeeld om short te gaan. Dit bracht de 130/30- en absolute return-fondsen voor de particuliere belegger binnen bereik. Versie IV moet de grensoverschrijdende introductie van fondsen binnen Europa makkelijker maken. Ook fusies tussen fondshuizen zijn door deze richtlijn eenvoudiger.
2. Hoe wordt die open markt bereikt?
Er komt een Europees paspoort voor fondsen dat de verkoop van een fonds in een andere lidstaat mogelijk maakt zonder aparte vergunning. Daarnaast wordt de zogenoemde master-feeder structuur geïntroduceerd. Dit biedt fondshuizen de kans om de lokale subfondsen van een beleggingsfonds dat ze in diverse Europese landen aanbieden, onder te brengen in één hoofdfonds. Dit lost een belangrijk probleem op voor fondsaanbieders die op zoek zijn naar schaalgrootte en maakt het makkelijker beleggingsproducten aan te bieden in landen met een relatief beperkt potentieel.
3. Interessant, maar wat heeft de belegger eraan?
Voordeel voor de belegger van de nieuwe richtlijn is dat door de versimpelde fondsregistratie subfondsen van succesvolle fondsen sneller op de markt kunnen worden gebracht. Ucits IV maakt het mogelijk fondsen binnen een week te registreren; tot nu toe duurde dat proces drie maanden. Ucits maken bovendien een eind aan de vereiste dat een fondshuis in elk land een vertegenwoordiger moet hebben. Dit vergroot de keuze voor beleggers, vooral het aanbod aan gespecialiseerde fondsen van de kleinere huizen zal toenemen.
Een andere in het oog springende vernieuwing is het Key Investor Document (KID). Dit bevat gestandaardiseerde informatie over het fonds en vervangt het bekende verkorte prospectus. Het fondsdocument dat is ontdaan van onduidelijk vakjargon, moet de vergelijking tussen Ucits-fondsen makkelijker maken.
4. Zorgt al die efficiëntie ook voor kostenvoordelen?
Het wegvallen van registratieprocessen zou zich op termijn moeten vertalen in lagere kosten voor de eindbelegger. Nu is uitbreiding in de gefragmenteerde Europese markt voor fondsaanbieders een kostbare zaak. Een wereldwijd onderzoek naar fondskosten van Lipper in 2009 laat dat zien. Lipper vergeleek de total expense ratio (TER) van actief gemanagede fondsen. Niet alleen de grootte van de markt is daarbij van invloed, ook de kosten van grensoverschrijdende fondsen waren daarbij duidelijk hoger. De gemiddelde TER voor aandelenfondsen was 0,91 procent in de Verenigde Staten; 1,44 procent in Duitsland; 1,63 procent in Groot-Brittannië en gemiddeld 1,89 procent voor grensoverschrijdende fondsen. Bij obligatiefondsen is het beeld niet veel anders. De gemiddelde TER is 0,83 procent in de VS; 0,88 procent in Duitsland; 1,20 procent in Groot-Brittannië en 1,24 procent voor grensoverschrijdende fondsen. Door Ucits zullen deze kosten naar verwachting gaan dalen.
5. Is Ucits IV de voorlopig laatste versie van de richtlijn?
Nee, zeker niet. In 2010 werd al binnen de Europese Commissie gesproken over de richtlijn Ucits V. Kernpunt van deze vijfde versie wordt de bescherming van de belegger. De concrete invulling wordt volgend jaar verwacht. In de tussentijd stellen fondshuizen hun wensenlijstjes voor de volgende versie samen. Hoog op de lijst staat vereenvoudiging van de fiscale behandeling van fondsen. Waar de registratie van fondsen in Europese lidstaten nu is gestandaardiseerd, blijft de fiscale behandeling een zaak van de individuele landen. Een doorn in het oog van de fondshuizen, die pleiten voor een kostenbesparende eenduidige fiscale behandeling. Een ander punt is de liquiditeit. Tijdens de crisis moesten bepaalde fondsen tijdelijk worden gesloten, nadat de handel op de onderliggende markt waarin ze belegden, was opgedroogd. Het is de wens van fondsaanbieders en de Europese Commissie dat de volgende Ucits-versie een oplossing biedt voor dit probleem en continue handel onder alle omstandigheden mogelijk maakt. Wordt vervolgd.
| Historie van Ucits In 1985 werd de eerste Ucits-versie geïntroduceerd met als doel een Europese markt voor financiële producten te creëren. De Europese Commissie breidt de regelgeving stapsgewijs uit door de introductie van nieuwe versies van Ucits. Ucits II werd in 1998 opgesteld als blauwdruk voor een Europees fondspaspoort. Deze versie werd door onenigheid tussen lidstaten over de toepassing nooit als zodanig geïntroduceerd. Versie II werd uiteindelijk opgenomen in Ucits III in 2001, de richtlijn die het gebruik van een bredere range van financiële instrumenten mogelijk maakte. Fondshuizen werd een lange voorbereidingstijd toegestaan; pas in 2007 werd de richtlijn officieel ingevoerd. Ucits IV moet met ingang van 1 juli 2011 zorgen voor een gelijke Europese beleggingsmarkt. Ucits V staat op de agenda van de Europese Commissie voor volgend jaar. |



