De onrust in China lijkt aan te zwellen. Staat de Aziatische grootmacht aan de vooravond van een 'Arab spring'?
Afgelopen najaar kwamen de inwoners van het Zuid-Chinese dorp Wu-Kan massaal in opstand tegen gemeenteambtenaren die landbouwgrond in beslag hadden genomen en vervolgens hadden doorverkocht aan projectontwikkelaars. De opstand trok de aandacht van de internationale media, vanwege de vasthoudendheid van de bevolking en de lange duur van het protest (drie maanden). Maar op zich is verzet tegen overheidsfunctionarissen in China geen uniek fenomeen.
Neemt de sociale onrust in China toe? Of is deze nu alleen meer zichtbaar dan vroeger, vanwege de ontwikkeling van internet? Frans-Paul van der Putten, Aziëdeskundige bij Instituut Clingendael, vindt het lastig hier een eensluidend antwoord op te geven. "Ik zie inderdaad tekenen van onrust, maar de omvang en impact ervan zijn lastig in kaart te brengen. China kent een heel ander politiek systeem dan Nederland. Er vinden geen directe verkiezingen plaats, waardoor de positie van de bevolking moeilijk zichtbaar is. Ook valt van buitenaf lastig in te schatten hoe stabiel de politieke top van China is. Alles wat daar gebeurt, geldt als staatsgeheim."
Grote tegenstellingen
Dat het rommelt, verbaast Van der Putten niet. "China is enorm in beweging. Het land ontwikkelt zich in economisch opzicht in hoog tempo, maar daar profiteert niet iedereen in gelijke mate van. Dit zorgt voor grote tegenstellingen tussen arm en rijk. Deze worden bovendien beter zichtbaar, doordat meer mensen - ook in armere gebieden op het platteland - beschikking krijgen over televisie en internet. Dit laatste brengt ook meer misstanden, zoals corruptie, aan het licht."
Het volksoproer dat nu de kop opsteekt, vindt vaak plaats in dorpen aan de rand van de stad, waar de stedelijke ontwikkeling voelbaar is. "Veel protesten draaien daar om grond. Door de aanleg van infrastructuur, de bouw van een fabriek of de nabijheid van een grote stad stijgt de grondprijs. Dat brengt lokale overheidsfunctionarissen in de verleiding om grond te onteigenen en met winst door te verkopen aan projectontwikkelaars. Dat leidt vervolgens tot maatschappelijke onrust."
Het gaat dus meestal om lokale problemen, aldus de Aziëspecialist. Dat maakt het risico dat de onrust overslaat beperkt. "Er is geen sprake van een grote nationale protestbeweging. Het gaat om lokale incidenten: plattelandsbewoners die protesteren tegen zaken als corruptie en landonteigening."
Daarmee zijn deze opstanden nauwelijks te vergelijken met de grote studentenopstand van 1989. "Die concentreerde zich in de grote steden", meent Van der Putten. "De huidige protesten zijn versnipperd en tot nu toe beheersbaar. Ze vormen minder direct een bedreiging voor de legitimiteit van de Communistische Partij."
Pragmatisch
Voor de Communistische Partij staan de stabiliteit van het land en de machtspositie van de partij voorop, meent Van der Putten. Als deze in gevaar komen, zal de Chinese overheid met alle mogelijke middelen optreden. Maar dat kan ook op pragmatische wijze, zolang het maar effectief is. Zo kwam de Chinese overheid afgelopen zomer woedende burgers tegemoet die na een ernstig ongeluk met een hogesnelheidstrein eisten dat er bij de spoorwegen ontslagen zouden vallen en werd in augustus op last van de lokale bevolking een omstreden chemische fabriek in Dalian gesloten. Ook in Wu-Kan wist de overheid uiteindelijk de gemoederen te bedaren, door enkele gearresteerde demonstranten vrij te laten en toe te zeggen de landonteigeningen te onderzoeken.
Van der Putten verwacht niet veel druk vanuit het westen op de Chinese overheid om hervormingen door te voeren of de mensenrechten beter te respecteren. "De volksopstand van 1989 heeft aan het licht gebracht dat er in China grote potentiële spanningen zijn tussen de bevolking en de regering. Er is sindsdien vanuit het westen wel enige druk op China uitgeoefend, onder meer op het gebied van mensenrechten. En de Europese Unie en de Verenigde Staten verkopen geen wapens aan China. Maar daarmee houdt het wel zo'n beetje op." China is in economisch opzicht te belangrijk, stelt hij. "Westerse landen kunnen het zich niet permitteren om een serieuze economische boycot tegen China uit te vaardigen. Dat was in 1989 al het geval en nu helemaal."
Economische groei
Daarmee verschilt China van bijvoorbeeld Syrië, dat wel wordt geconfronteerd met boycots. Maar Van der Putten ziet nóg een verschil met de opstanden in Noord-Afrika en het Midden-Oosten. "Het gaat China in economisch opzicht nog steeds voor de wind. Veel Chinezen zullen wel het gevoel hebben dat hun land er op moreel gebied op achteruit gaat, maar in materieel opzicht gaat het goed. Er is op dat terrein onvoldoende onvrede om tot een opstand te leiden."
Mochten de economische omstandigheden verslechteren, dan kan dat kantelen, stelt Van der Putten. "China is erg afhankelijk van de wereldeconomie. Als in het westen de economie blijvend stagneert, kan dat de export onder druk zetten en dus ook de economische groei. Dan wordt het moeilijker voor de Chinese overheid om de maatschappelijke stabiliteit te waarborgen."
Maar zover is het nog niet, meent de Aziëspecialist. "De economische groei is onlangs weliswaar iets afgezwakt, maar is met 9 procent per jaar nog steeds hoog."
| Ook onrust in Rusland Sinds de recente parlementsverkiezingen is het ook in Rusland onrustig. Verdenking van verkiezingsfraude heeft geleid tot massale demonstraties. Een vergelijking met de protesten in bijvoorbeeld Egypte is echter niet zomaar te maken. Ten eerste is er een groot verschil in welvaart tussen beide landen. Ten tweede zijn premier Poetin en president Dmitri Medvedev in het verleden wel democratisch gekozen. Maar er zijn ook overeenkomsten. Zo worstelt ook Rusland met corruptie. De ogen zijn nu vooral gericht op de presidentsverkiezingen in maart. Zal de onrust in de loop hiernaartoe aanzwellen, onder invloed van sociale media? Of zal de Russische overheid onder druk van de onrust versneld hervormingen invoeren? |


