Chinese bedrijven azen op overnames in Europa, de Chinese staat koopt staatspapier op van noodlijdende landen als Griekenland, Portugal en Spanje. Belangrijkste motief lijkt de economische stabiliteit van Europa, een cruciale handelspartner.
Er wordt nogal eens huiverig gereageerd op China’s opmars, maar de angst dat het land uit is op wereldheerschappij, lijkt Maurice Meijers ongegrond. Hij is hoofd van de kersverse Robeco-afdeling Emerging Markets Debt en volgt de Chinese aankoop van Europese staatsobligaties dus nauwgezet. Dat China koopt, is zeker, maar welke bedragen daarmee gemoeid zijn, is onduidelijk. In de markt circuleren sommen van 6 miljard euro voor Spaans staatspapier en 4 miljard euro voor Portugese obligaties. Maar volgens Meijers zijn dat slechts slagen in de lucht. “Hoeveel er wordt geïnvesteerd, is doorgaans een van de best bewaarde geheimen van centrale banken, en dat geldt ook voor China.”
3 biljoen dollar aan reserves
Er is in elk geval genoeg beschikbaar, want China put voor de aankopen uit de buitenlandse valutareserves. Dat spaarpotje van een slordige 3 biljoen dollar, is te danken aan het jarenlange overschot op de handelsbalans; China exporteert veel meer dan het importeert. Tot voor enkele jaren gingen die reserves uitsluitend naar Amerikaans staatspapier. Maar sinds enige tijd beoogt de staat een betere spreiding. Meijers: “Er zijn verhalen geweest dat een Griekse delegatie naar China afreisde met het verzoek om de Griekse staatsschuld te herfinancieren. Maar om zulke volumes zal het echt niet gaan.”
In de markt klinken schattingen van 15 tot 20 procent exposure naar de eurozone. Op een bedrag van 3 biljoen dollar toch geen kleinigheid. Meijers: “Met reserves ga je niet speculeren. Misschien dat 1 procent in riskanter Europees staatspapier wordt gestoken, maar relatief gezien zijn dat geen enorme risico’s voor China. Dat neemt niet weg dat het net het steuntje in de rug kan zijn dat een land als Portugal nodig heeft.”
Politieke invloed
Een stabiele wereldeconomie is voor de Chinezen prioriteit nummer één, denkt Meijers. Cruciaal daarbij is de Europese economie, de belangrijkste handelspartner. China importeert grondstoffen en halffabricaten, en maakt vervolgens producten die weer teruggaan naar het Westen. Daar worden de producten nog wat opgeleukt en met een forse winstmarge verkocht. Meijers: “Het handelsoverschot ligt dus wel bij China, maar de echte winst wordt gemaakt door westerse bedrijven.”
Nog afgezien van de concrete bedragen waarmee China een aantal Europese zwakke broeders steunt, gaat het vooral om het vertrouwen dat daaruit spreekt. Dat het land ook op meer politieke invloed uit is, wil Meijers niet zonder meer uitsluiten. “Maar daar moeten we niet te veel achter zoeken. Een beetje invloed kopen, zo raar is dat niet voor de tweede economie van de wereld. Tot op zekere hoogte zal China best zijn invloedssfeer willen vergroten, maar dat is slechts bijzaak.”
Toen Japan half januari ook aangaf een flinke pluk Europese staatsobligaties te willen inslaan, stelde volgens Meijers niemand dergelijke vragen. “Het is een gewenningsproces.”
Kan de wat angstige reactie op de Chinese bemoeienis niet ook te maken hebben met de mensenrechten die in het land nog altijd met voeten getreden worden? “Dat zal China op den duur niet in de weg staan”, verwacht Meijers. “De ervaring leert dat, naarmate de ontwikkeling van een gebied toeneemt, ook de mensenrechtensituatie verbetert.”



