Ondanks de economische tegenwind komt de inflatie in Europa boven de inflatiedoelstelling van 2 procent uit. Is dit streefcijfer wel realistisch? En wat zijn de inflatieverwachtingen voor de langere termijn?
Sinds de oprichting in 1998 hanteert de Europese Centrale Bank een inflatiedoelstelling van 2 procent. Maar de werkelijke cijfers liggen er vrijwel altijd boven. Zelfs in de huidige economische crisis ligt de inflatie in de eurozone tegen de 3 procent aan. Dit roept de vraag op: is de inflatiedoelstelling wel realistisch? En hoe zal het prijspeil zich ontwikkelen als de economie weer aantrekt?
Afgaand op de statistieken is de huidige inflatiedoelstelling inderdaad aan de lage kant, zegt Ronald Doeswijk, hoofdstrateeg bij Robeco. Hij inventariseerde de inflatiepercentages van negentien ontwikkelde landen van de afgelopen 111 jaar.
Als grote uitschieters aan weerszijden buiten beschouwing worden gelaten, komt de inflatie van deze landen gemiddeld uit op 4 procent. Zelfs in periodes waarin de economie niet floreerde, kwam het inflatiepeil zelden onder de 2 procent uit.
Dit jaar zal het waarschijnlijk wel meevallen met de inflatie, verwacht Doeswijk. De economische groei is momenteel beperkt, aan de forse stijging van de energieprijzen is voorlopig een eind gekomen en de bezettingsgraden in fabrieken zijn relatief laag. Op de middellange termijn voorziet Doeswijk echter wel opwaartse risico’s. Hiervoor wijst hij diverse oorzaken aan: economisch herstel na de financiële crisis, de vergrijzing en de opkomende middenklasse in opkomende markten.
Groeimotor
“In het verleden hebben we vaker gezien dat na een financiële crisis een verhoogd risico op inflatie ontstond”, zegt Doeswijk. “Er is de afgelopen jaren veel geld in de economie gepompt. Als de groeimotor weer aanslaat, uit zich dat in een oplopende inflatie.”
Veel landen hebben in deze crisis hun balansen zien verslechteren. Dit kan ze in de verleiding brengen geld bij te drukken en zo de schuldenberg automatisch te laten slinken. De geschiedenis wijst uit dat een hoge schuldratio (overheidsschuld ten opzichte van het bruto binnenlands product) inderdaad vaak leidt tot een oplopende inflatie.
Gaat dat nu eveneens gebeuren? “Landen zullen niet bewust streven naar een hogere inflatie, maar een hogere inflatie komt ze nu wel goed uit”, meent Doeswijk. Ze kunnen er volgens hem echter niet te ver in doorslaan, omdat ze anders het vertrouwen van de financiële markten schaden.
Het beste scenario is volgens Doeswijk een hogere inflatie in combinatie met de marktverwachting dat de inflatie omlaag gaat. In dat geval smelten de schulden weg. Tegelijkertijd blijft de rente op staatsobligaties laag, waardoor de economische groei extra wordt gestimuleerd. “Een mooi voorbeeld hiervan is Groot-Brittannië, dat nog steeds kampt met een relatief hoge inflatie, terwijl de rente over tienjarig staatspapier nog steeds laag is.”
Loonkosteninflatie
In Europa is nog een tweede factor die de inflatie kan opjagen: de vergrijzing. “Er is nu veel uitstroom uit de arbeidsmarkt. Vanwege de huidige economische malaise is dat nu nog geen probleem. Maar als de economie straks weer aantrekt, ontstaat er een tekort aan personeel en dat kan leiden tot loonkosteninflatie.”
De laatste inflatie-opdrijvende factor is de uitdijende middenklasse in met name opkomende markten; een trend die al bijna twintig jaar gaande is. Dit leidt tot een toenemende consumptie van vooral grondstofintensieve producten en dus stijgende grondstoffenprijzen. “De uitdijende middenklasse ging het afgelopen decennium gepaard met een flinke stijging van de grondstoffenprijzen. Daar zit een duidelijke relatie tussen”, stelt Doeswijk. “Mensen willen daar ook graag in een auto rijden en vlees eten. Dat zorgt voor een toenemende vraag naar bijvoorbeeld staal, energie, vlees en graan dat als veevoer wordt gebruikt.”
Afnemende energieopbrengsten
Tegelijkertijd staat het aanbod van veel grondstoffen onder druk. Zo slinken de opbrengsten uit bestaande olievelden wereldwijd met circa 4 procent per jaar, doordat grote velden uitgeput raken. Op een dagproductie van meer dan 80 miljoen vaten komt dat neer op een daling van 3 miljoen vaten per dag. Na tien jaar zal dat zijn opgelopen tot circa 30 miljoen vaten per dag.
De productie uit nieuwe olievelden kan die daling vooralsnog onvoldoende compenseren. “Van aangekondigde nieuwe olieprojecten wordt in de loop van de komende tien jaar een productie van 16 miljoen vaten per dag verwacht. Dat is inclusief olie uit lastig ontginbare gebieden, zoals Canadese teerzanden, waar oliewinning alleen bij een hoge olieprijs rendabel is”, aldus Doeswijk.
Dit tekort kan alleen worden opgevuld met nieuwe olieprojecten of een toenemend gebruik van alternatieve energie, zoals gas, meent Doeswijk. Maar hij vraagt zich af of dat voldoende is. En die spanning tussen vraag en aanbod van olie wordt alleen maar groter als de wereldeconomie aantrekt en de vraag naar energie toeneemt.
Grilliger cijfers
Volgens Doeswijk moeten we op langere termijn rekening houden met een inflatie van 3 procent, waarbij tussendoor ook periodes zullen optreden met een inflatie van 5 tot 6 procent. Daarnaast zal het inflatiecijfer volgens Doeswijk grilliger worden. “In de jaren tachtig en negentig was de economische groei stabiel. De economie leek maakbaar. Er kon eenvoudig monetair worden bijgestuurd. Nu blijkt de economie wat minder makkelijk bij te sturen en is de economische groei een stuk volatieler.” Hetgeen zich volgens Doeswijk ook vertaalt in een volatieler inflatiepatroon.
|
Bescherming tegen inflatie Antwoord: Inflation linked bonds (obligaties waarbij de hoofdsom en de coupon worden verhoogd met het inflatieniveau) hebben de beste papieren. Daarna volgen grondstoffen (met name olie en goud), mijnbouwaandelen, overige aandelen, vastgoed en obligaties. Bij heel lage inflatie is de situatie omgekeerd.
|



