Italië wordt onterecht over één kam geschoren met de andere PIIGS-landen die in zwaar economisch weer verkeren. Het land lijkt de crisis beter te doorstaan dan het overige kwartet. Maar het is niet allemaal rozengeur.
Italië is een van PIIGS-landen, de weinig flatteuze afkorting voor de landen in vooral het zuiden van Europa (Spanje, Portugal, Italië, Griekenland, plus Ierland) die zuchten onder de economische crisis. Volgens diverse economen wordt Italië echter ten onrechte bij deze groep ingedeeld. Zo wijst het team van de bekende econoom Willem Buiter van Citigroup Global Markets in een recent rapport op de bijzondere positie van Italië. Die zorgde er onder andere voor dat het land minder last heeft van de stress op de obligatiemarkten. Volgens het team van Buiter zijn er factoren die maken dat de Italiaanse economie relatief weinig last heeft van de crisis. Een van de belangrijkste verschillen is dat het land geen stimuleringsmaatregelen heeft moeten nemen sinds de start van de crisis, waarmee een toename van het begrotingstekort en hogere financieringslasten werden voorkomen. Ook de economen van Société Générale publiceerden recent hun visie op de Italiaanse economie. Zij geven aan dat Italiaanse ondernemingen weinig schulden hebben en het land, anders dan Spanje en Ierland, geen last heeft gehad van een bubble op de huizenmarkt. Ook kent het land ten opzichte van bijvoorbeeld Ierland veel minder problemen in de bankensector.
Italiaanse consument
Economen van beide banken wijzen nadrukkelijk op de rol van de Italiaanse consument. Die onderscheidt zich van de Spanjaard en de Griek door zijn relatief hoge spaartegoeden. De Italianen hebben traditioneel een hoge spaarquote – het spaargedrag van de consument, uitgedrukt in een percentage van het beschikbare inkomen – van 15 procent. (Ter vergelijking: Nederland heeft een spaarquote van 13 procent.) Daarnaast heeft
Italië verhoudingsgewijs de kleinste schuldenlast in Europa: de totale schulden van de gezinnen bedragen slechts 21 procent van het totale bezittingen. De vergelijking met Japan, waar de bevolking flink spaart en net als het bedrijfsleven de balans beter op orde heeft dan de overheid, dringt zich op.
De aparte positie van Italië wordt versterkt doordat een relatief klein deel van het Italiaanse schuldpapier (46%) in handen is van buitenlandse beleggers. In Portugal, bijvoorbeeld, is dat 80%. Het merendeel is in handen van de Italianen zelf, als buffer voor onder andere de slechte overheidspensioenen. Traditioneel houdt deze groep beleggers het schuldpapier langer aan dan buitenlandse beleggers, wat tot een lagere volatiliteit van de staatsschuld dan in andere PIIGS-landen leidt.
Productiviteit
Staat de Italiaanse economie er dan goed voor? Nee. Zowel de economen van Citigroup als Société Générale maken zich zorgen om de verhouding tussen de overheidsschuld en het bruto nationaal product. Deze ratio is een van de hoogste in Europa, ook al omdat de economie al jarenlang zo traag groeit. Dit is een gevolg van met name de lage arbeidsproductiviteit in Italië, die het land al jaren parten speelt. Dat komt onder andere door de beperkte investeringen in productiviteitsverhoging en door het gebrek aan arbeidsmarktflexibiliteit door de sterkte positie van de vakbonden. Een laag geboortecijfer en sterke vergrijzing versterken dit effect. Een situatie die sterk lijkt op die van Japan.
Volgens de analisten van Société Générale doet Italië er goed aan zijn positie onder de loep te nemen. Zeker omdat het door de hoge staatsschuld en de beperkte groei gevoelig is voor rentestijgingen. Volgens het team van Citigroup is het conservatieve fiscale beleid van de Italiaanse overheid echter een bevestiging voor de markt van de houdbaarheid van de grote schuld. Politieke onrust kan daarentegen voor directe onrust op de financiële markten zorgen en Italië toch meeslepen in de crisis.



